Geachte mevrouw Ernsting-Nijdam en overige leden van Klankbordgroep Welstandsbeleid Beemster,
In Binnendijks 25/25 van 27/28 juni 2009 las ik uw bericht aangaande het ‘Tienpuntenplan ter verbetering van het Welstandsbeleid in de Beemster’ uit uw nota die de naam Het gulden verband meekreeg. Al lezende overvielen mij grote teleurstelling en ergernis. Teleurstelling omdat de Klankbordgroep Welstandsbeleid kennelijk enkel oog heeft voor het bestaande. En ergernis om het misbruik van de status ‘Werelderfgoed Beemster’. Wat dit laatste betreft volgt hier een citaat op grond waarvan Unesco deze status heeft toegekend. Het citaat staat op de site van Stichting Platform Werelderfgoed Nederland. “Motivering De Commissie voor het Werelderfgoed besloot de polder De Beemster in te schrijven op grond van de Criteria (1), (2) en (4). (1): Polder De Beemster is een meesterwerk van creatieve planning, waarin de idealen van de Oudheid en de Renaissance zijn toegepast in het ontwerp van een droogmakerijlandschap. (2): Het innovatieve en visionaire landschap van de polder De Beemster heeft diepe en blijvende invloed gehad op droogmakingsprojecten in Europa en daarbuiten. (4): De totstandkoming van de polder De Beemster markeert een grote stap vooruit in de relaties tussen mens en water in een belangrijke periode van sociale en economische ontwikkeling.” Geel gemarkeerd staan de karakteristieken waaraan de Beemster zijn Werelderfgoed-status dus ontleent. Hierin komt het woord bebouwing of architectuur niet voor. Daarom is het aperte onzin om “behoud werelderfgoed” (punt 1 van het tienpuntenplan) aan te voeren bij discussies over bouwen en vormgeving van bebouwing. Dat kan enkel en alleen als voorgenomen bebouwing de bestaande structuur van het Beemster landschap aantast. Iets dat natuurlijk allang gebeurd is, jammer genoeg. Zie het stuk rondweg vanaf de Middenweg naar de Rijperweg bijvoorbeeld. Het was landschappelijk gezien beter geweest dat die rondweg een hoekiger tracé had gekregen.
En dan kom ik nu terug op uw standpunten over nieuwbouw. Dat elke vorm van afwijkende, bijzondere en/of moderne (ver)nieuwbouw door de Klankbordgroep feitelijk in de ban wordt gedaan, vind ik zeer te betreuren. En vooral ook behoorlijk on-Beemsters, trouwens. De landhuizen uit de beginperiode van de polder leken nou niet direct op de bebouwing van het oude land in Noord-Holland. Nee, die landhuizen straalden stedelijkheid, bakken geld en macht uit. Er staat er helaas geen een meer. In de loop van bijna 400 jaar is de bebouwing van de polder voortdurend aangepast aan de inzichten, mogelijkheden en modes van de tijd. Wanneer je foto’s uit de late 19de eeuw bekijkt van de Buurt, vooral aan de winkelkant, is het verbijsterend om te zien hoeveel gevels tussen pakweg 1870 en 1920 zijn veranderd, aangepast of gewoonweg zijn verdwenen. En toen in 1915 het post- en telegraafkantoor met directiewoning in de Leeghwaterstraat (nu nummer 9) verrees, was dat pand voor toenmalige begrippen ongetwijfeld ‘hoogbouw’. Verder had (en heeft) dit bijzonder fraaie pand bepaald geen streekeigen vormgeving, noch is er soberheid betracht in de keuze van (bouw)materialen.
Dit zijn maar enkele voorbeelden van een voortdurende ontwikkeling. Geen mens wil nu nog wonen in een huis dat rond 1950 je-van-het was. Een toilet, een douche, een cv annex warmwatervoorziening, dubbel glas, deugdelijke isolatie, overal stroom- en internetcontacten, duurzame materialen, etc. Dat zijn allemaal verworvenheden van na die tijd. En wie wil er nog zonder? De materialen waarmee gebouwd wordt, zijn mee veranderd. Verbeterd meestal, als het aankomt op isolatiewaarde, zowel qua geluid als temperatuur, en duurzaamheid.
Veel van de pijlen van de Klankbordgroep richten zich op de nieuwe senioren- en Middelwijck-zorgwoningen in het Prinses Beatrixpark. “Een gebouw met een welhaast industriële vormgeving van grauw plaatmateriaal” zoals het staat in Het gulden verband. Dat grauwe plaatmateriaal bestaat uit leisteen, net als op het dak van de kerk, maar dit terzijde. Of slaat deze kwalificatie het op het heldere plaatmateriaal waarmee de gang tussen oud- en nieuwbouw is bekleed? Als dit laatste bedoeld wordt, ben ik het zeer eens met hen die dit lelijk vinden. Die dubbelwandige plastic platen waren echter niet de keuze van Blanca Architecten, maar zijn het droevig stemmende resultaat van een bezuinigingsronde van de opdrachtgever, Woonzorg. De dakhelling(en) met hun hinten naar stolpdaken (buurman Köhne) en de kerk (lei) vind ik juist prima passen bij de omgeving, maar dat is zoals zoveel een kwestie van smaak. Wanneer de verbindingsgang afgedekt wordt door groen, of te zijner tijd een andere bekleding krijgt, denk ik dat de uitstraling een heel andere wordt. “Wat een bijzonder gebouw staat daar of: Oh, als ik daar eens zou mogen wonen”.
Kortom, ik houd een hartstochtelijk pleidooi voor minder angst voor het nieuwe, het bijzondere, het afwijkende. Juist samen met oude(re) bebouwing, maakt innovatieve en visionaire architectuur (ik speel even leentjebuur ) nieuwbouw, een straat, een wijk, een dorp, een polder tot een levend geheel. Dat zijn de plaatsen waar mensen van jong tot oud graag willen wonen, werken, winkelen, schoolgaan en recreëren.
Gerda Kooger, Middenbeemster, 2 juli 2009