Op 2 februari 2010 is in de commissie Grondgebied van de gemeenteraad van Beemster het bestemmingsplan Buitengebied aan de orde geweest. De vraag die de commissie moest beantwoorden is of dit voorontwerp geschikt is om in procedure te komen. Dat wil zeggen dat burgers, boeren en buitenlui er hun zienswijze op kunnen geven. De commissie vond dit nog te vroeg.
Het hete hangijzer blijkt het nieuwe begrippenpaar “agrarisch met waarde(n)”. Met name de Beemster boeren, gedeeltelijk verenigd in LTO, vrezen dat daardoor allerlei oneigenlijke elementen het bestemmingsplan insluipen. Dat zijn dan vooral landschap- en cultuurwaarden en in mindere mate natuurwaarden. Het college en ook de adviseur van Croonen konden merkwaardig genoeg die vrees niet wegnemen.
Is die vrees gerechtvaardigd? Ik heb een klein beetje deskresearch gedaan. Het blijkt dat in vrijwel elk modern bestemmingsplan het begrip voorkomt. Het begrip ‘Agrarisch’ komt ook voor, maar dat dan meestal in verbinding met grootschalige landbouw. Hier zit natuurlijk de pijn. Het zelfbeeld van de Beemster en ook van de agrariërs in de polder is dat de Beemster een gebied is dat geschikt is voor grootschalige productielandbouw en middelgrote tot grote melkveebedrijven. Dat is in veel gevallen ook zo.
Maar de provincie heeft in zijn ontwerpverordening bij de structuurvisie 2010 het begrip gecombineerde landbouw geïntroduceerd en dit van toepassing verklaard op alle landbouwgebieden beneden de lijn Medemblik-Alkmaar. Met die introductie stelt de provincie vervolgens vast dat ook voor Beemster geldt dat dit geen gebied is waar grootschalige ontwikkelingen plaats moeten (kunnen) vinden.
Het is een idioot aanmatigende gedachte van de provincie dat zij menen de landbouwontwikkeling de wet voor te moeten schrijven. Het is een uitvloeisel van een even verwerpelijke (ver)maakbaarheidsgedachte van landschap en cultuurhistorie, die op dit moment in Nederland opgeld doet. Het landschap wordt heilig verklaard en de cultuurhistorie wordt er als een alles verklarende pastasaus overheen gegooid. Men gaat gemakshalve voorbij aan het feit dat in de reeële economie boeren moeten groeien om te overleven op de wereldmarkt en dat binnen nu en tien jaar het aantal boeren, niet alleen in Beemster, met 30 tot 40% zal afnemen. Uit angst voor verrommeling wordt echter het gehele landschap op slot gegooid. Versta me niet verkeerd. Ik hecht zeer aan fraai landschap en ik heb ook oog voor cultuurhistorie, maar ik heb wat moeite met landschap als ideologie. Landschapsbehoud en ontwikkeling moet je samen doen als gemeente met de boeren, maar ook met burgers. Daarbij stuit je op tegenstrijdige belangen en moet je als bestuur soms stevige knopen doorhakken. In Nederland hebben we steeds ingegrepen in de ruimtelijke omgeving en we zullen daar ook de komende decennia wel mee doorgaan, maar het lijkt me verstandig om het ambitieniveau ook enigszins te koppelen aan de economische en sociale werkelijkheid.
Terug naar het onderwerp. Ik denk dat het mogelijk moet zijn om voor delen van Beemster ook het begrip ‘agrarisch’ te gebruiken als bestemmingsplanterm. Dat geldt met name voor het gebied ten (zuid)westen en ten noorden van Middenbeemster, omdat grootschalige ontwikkelingen zich daar concentreren, of de provincie dat nu wil of niet. Voor het gebied tussen Middenbeemster en Zuidoostbeemster is het begrip agrarisch met waarde goed geschikt. Overigens merk ik daarbij wel op dat de openheid van het landschap in allle gevallen ook in de gebieden met grootschaliger landbouw een van de kernkwaliteiten of zo u wilt kernwaarden uitmaakt. Die openheid van het landschap koesteren alle partijen, gelukkig.
3 februari